Corinne Schot
Partner | Advocaat
Stuur mij een e-mail
+31 (0)20 333 8390
Leent een werkgever geld aan een werknemer, bijvoorbeeld voor de aanschaf van een auto, om een financieel tekort aan te vullen of vanwege een andere privéreden, dan lijkt dat al snel een zaak tussen werkgever en werknemer onderling. Toch ligt dat genuanceerder: zo'n lening kan kwalificeren als een consumentenkredietovereenkomst. In dat geval gelden voor de werkgever als kredietverstrekker specifieke wettelijke verplichtingen. Het hof Den Haag heeft dit recentelijk bevestigd op 23 juni 2026 in een uitspraak (ECLI:NL:GHDHA:2026:1974) over een werkgever die de restschuld van een lening van een oud-werknemer probeerde te innen.
De feiten
In deze zaak had de werknemer € 50.000,- geleend van zijn werkgever, tegen zeven procent rente per jaar. Partijen kwamen overeen dat achterstallige termijnen zouden worden verrekend met het eerstvolgende salaris. Toen de arbeidsovereenkomst eindigde, stond er nog een aanzienlijk bedrag open, en ook daarna bleef aflossing uit. Uiteindelijk stapte de werkgever naar de rechter met een vordering van bijna € 52.000,-.
Die vordering liep echter vast bij de kantonrechter Den Haag. In een ongepubliceerd vonnis van 8 mei 2025 kwalificeerde de kantonrechter de lening als consumentenkrediet en wees hij de vordering af: de werkgever had namelijk verzuimd om de werknemer vooraf de vereiste informatie te verstrekken en had geen kredietwaardigheidstoets uitgevoerd, terwijl de wet dat voor consumentenkrediet wel voorschrijft.
Hoger beroep: geen kredietovereenkomst, maar onderdeel van de arbeidsovereenkomst?
In hoger beroep probeerde de werkgever het tij te keren met het argument dat hier helemaal geen sprake was van consumentenkrediet. Haar redenering: de lening hing zo nauw samen met het dienstverband dat zij niet als kredietgever in de zin van artikel 7:57 BW kon worden aangemerkt; de lening moest worden gezien als onderdeel van de arbeidsovereenkomst zelf.
Dat argument overtuigde het hof niet. Voor een consumentenkredietovereenkomst is bepalend of een kredietgever een consument krediet verleent of toezegt, in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een vergelijkbare betalingsfaciliteit. In deze zaak voldeed de kredietverstrekking volgens het hof precies aan die omschrijving.
Ook de dubbele rol van de werkgever, als geldschieter én als werkgever, veranderde daar volgens het hof niets aan. De wetgever heeft juist wel oog gehad voor die combinatie: krediet dat een werkgever als nevenactiviteit renteloos verstrekt, of tegen een lager dan marktgebruikelijk jaarlijks kostenpercentage, valt buiten het bereik van de consumentenkredietregels. Alleen kwam de werkgever in deze zaak niet in aanmerking voor die uitzondering. Bij een rente van zeven procent had zij moeten aantonen dat dit onder de marktrente lag, en dat bewijs ontbrak. Het hof zag ook geen aanleiding om dat percentage als zodanig te beschouwen. De uitzondering voor geldleningen van werkgevers aan werknemers was dus niet van toepassing.
Achtergrond van de wet en implementatie
De regels rond consumentenkrediet vinden hun oorsprong in de eerste Consumentenkredietrichtlijn (CCD I, Richtlijn 2008/48/EG) die is geïmplementeerd in Titel 2A van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Deze titel bevat onder meer de definities van ‘kredietovereenkomst’ en ‘kredietgever’ in artikel 7:57 BW. Daarnaast is de richtlijn geïmplementeerd in de Wet op het financieel toezicht (Wft): de verplichting om een kredietwaardigheidstoets uit te voeren staat in artikel 4:34 Wft.
Gevolgen voor de praktijk
Zodra vaststaat dat een lening onder het consumentenkredietregime valt en de werkgeversuitzondering niet opgaat, gelden de dwingendrechtelijke regels voor consumentenkrediet. Van die regels mag niet worden afgeweken ten nadele van de consument. Zo moet een kredietgever de consument al vóór het sluiten van de overeenkomst van bepaalde informatie voorzien. Blijft die informatie uit, dan levert dat een oneerlijke handelspraktijk op, met aansprakelijkheid voor de daaruit voortvloeiende schade tot gevolg.
Voor de arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer bestaat wel een uitzondering: krediet dat als nevenactiviteit renteloos of tegen een lager dan marktgebruikelijk jaarlijks kostenpercentage aan werknemers wordt verstrekt, valt buiten de consumentenkredietregels, inclusief de informatieverplichting. Wie van die uitzondering profiteert, loopt echter tegen een ander punt aan: fiscaal gezien kan het rentevoordeel dat de werknemer daardoor geniet, worden belast. Dat voordeel bestaat uit het verschil tussen de rente die de werknemer aan zijn werkgever betaalt en de rente die hij elders, bij een commerciële kredietverstrekker, had moeten betalen.
Dat rentevoordeel kan worden aangemerkt als belast loon in natura, waarover loonheffingen zijn verschuldigd. Dat is anders als dit rentevoordeel wordt aangewezen als eindheffingsloon.
Conclusie
Deze uitspraak van het hof Den Haag laat zien dat een personeelslening niet zomaar als een interne, arbeidsrechtelijke aangelegenheid kan worden beschouwd. Is sprake van een consumentenkredietovereenkomst, dan moet de werkgever de daarbij horende dwingendrechtelijke verplichtingen naleven. Geldt de werkgeversuitzondering wel, dan vervallen die verplichtingen, maar dient rekening te worden gehouden met een mogelijk fiscaal risico door een belastbaar rentevoordeel. In beide scenario's kunnen de financiële gevolgen fors oplopen. Zoals het vonnis van de kantonrechter Den Haag laat zien, kan het niet naleven van de dwingendrechtelijke verplichtingen er zelfs toe leiden dat de lening niet meer op de (voormalige) werknemer kan worden verhaald. Werkgevers die een lening aan personeel overwegen, doen er daarom goed aan om de opzet daarvan vooraf juridisch én fiscaal te laten toetsen.
Contact
Heeft u vragen over dit onderwerp? Neemt u dan gerust contact op met onze specialisten Corinne Schot en Rogier de Neeling.
Volg ons!
Aanmelden nieuwsbrief LinkedIn