12-08-2026
Kortgedingvonnis volstaat als bewijs van vorderingsrecht bij faillissementsaanvraag ondanks niet-aangebrachte bodemdagvaarding
Rechtsvraag
Volstaat een kortgedingvonnis als summierlijk bewijs van het vorderingsrecht van de faillissementsaanvrager, ook als de schuldenaar kort voor de faillietverklaring een (niet-aangebrachte) dagvaarding heeft betekend waarin de vordering wordt betwist?
In het kort
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt op 28 april 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:2594) dat een kortgedingvonnis voldoende basis biedt voor het summierlijk blijken van het vorderingsrecht van de aanvrager van een faillissement. Dat de schuldenaar de aanvrager kort voor de faillietverklaring een dagvaarding heeft betekend waarin die vordering wordt betwist, doet daaraan niet af. Het hof bekrachtigt het faillissement van Human Diagnostics Group B.V.
Deze noot bespreekt welk gewicht toekomt aan een kortgedingvonnis bij de beoordeling van het vorderingsrecht in een faillissementsprocedure, en in hoeverre een betwisting van die vordering bij een niet-aangebrachte dagvaarding daaraan in de weg kan staan. Daarnaast gaat de noot in op de wijze waarop het hof de overige faillissementsvereisten – pluraliteit van schuldeisers en de toestand van te hebben opgehouden te betalen – beoordeelt, mede in het licht van betwiste vorderingen en aangevoerde (maar onvoldoende onderbouwde) betalingsregelingen.
In gelijke zin
- HR 19 oktober 1956, ECLI:NL:HR:1956:189, NJ 1957/68 (Faillissement Zuil)
- HR 30 augustus 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0326, NJ 1991/781 (Van Loenen/LAMB)
In tegengestelde zin
- HR 7 december 1979, NJ 1980/216
- Rechtbank Arnhem 22 maart 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BP9983 (waarin, anders dan in de onderhavige zaak, sprake was van meerdere daadwerkelijk aanhangige en inhoudelijk gevoerde procedures over het bestaan van de vordering, wat aan het summierlijk blijken daarvan in de weg stond)
Tip voor de praktijk
- Een dagvaarding die alleen wordt betekend maar niet is aangebracht, kan als tactisch instrument worden gezien in plaats van als serieus inhoudelijk verweer.
- Een schuldenaar die stelt dat met alle schuldeisers regelingen zijn getroffen, moet dit voor iedere schuldeiser afzonderlijk kunnen onderbouwen. Lopende gesprekken met bijvoorbeeld de Belastingdienst doen niet af aan het bestaan van de schuld, en een enkele betwisting van een vordering is onvoldoende om deze als steunvordering uit te sluiten.
Noot
- Deze procedure ziet op het hoger beroep dat is ingesteld door het op 10 maart 2026 failliet verklaarde Human Diagnostics Group B.V. (HDG). HDG is actief als houdstermaatschappij in de sector van de laboratoriumdiagnostiek via haar dochterondernemingen U-Diagnostics B.V., HealthCheckCenters B.V. en Hessels & Grob B.V. Het faillissement is aangevraagd op verzoek van een voormalig werknemer van HDG (geïntimeerde).
- De kernvraag die in deze procedure voorligt is of summierlijk is gebleken van een vorderingsrecht van geïntimeerde ten tijde van de faillietverklaring. Op het moment dat het faillissement door een schuldeiser wordt aangevraagd, bepaalt artikel 6 lid 3 Faillissementswet dat, naast de toestand dat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen, ook van het vorderingsrecht van de verzoekende schuldeiser summierlijk moet zijn gebleken. Als dit vorderingsrecht ten tijde van de faillietverklaring niet bestaat dan is het faillissement niet bevoegdelijk aangevraagd en dient de aanvrager niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek (HR 22 augustus 1997, NJ 1997, 664).
- Het vorderingsrecht van geïntimeerde is gebaseerd op de arbeidsrelatie tussen HDG en geïntimeerde. Tussen HDG en geïntimeerde is op 20 februari 2023 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. Op 27 juni 2025 meldt geïntimeerde zich ziek. Geïntimeerde start vervolgens een kortgedingprocedure tegen HDG tot betaling van vorderingen die zij heeft uit hoofde van de arbeidsovereenkomst. Op 19 december 2025 oordeelt de voorzieningenrechter dat er tussen HDG en geïntimeerde een arbeidsovereenkomst bestaat en dat HDG deze vorderingen aan geïntimeerde dient te voldoen.
- HDG stelt in de onderhavige procedure dat niet summierlijk is komen vast te staan dat geïntimeerde een vorderingsrecht heeft. Zij voert daartoe aan dat zij de vordering van geïntimeerde heeft betwist. Bovendien heeft zij geïntimeerde op 9 maart 2026, dus één dag voor de faillietverklaring, gedagvaard tegen 8 april 2026 in een bodemprocedure. In de dagvaarding vordert HDG een verklaring voor recht dat tussen HDG en geïntimeerde geen arbeidsovereenkomst bestaat en tot terugbetaling door geïntimeerde aan HDG van hetgeen zij op basis van het kortgedingvonnis heeft ontvangen. De dagvaarding is evenwel nooit aangebracht. Geïntimeerde heeft op basis van het kort gedingvonnis niets ontvangen.
- Of een aanhangige procedure op tegenspraak over de gestelde vordering in de weg staat aan het summierlijk blijken daarvan, is afhankelijk van de feitelijke waardering van de omstandigheden van het geval; het enkele feit van een lopende procedure staat daaraan niet noodzakelijkerwijs in de weg (HR 7 december 1979, NJ 1980/216; in gelijke zin Rechtbank Arnhem 22 maart 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BP9983). Anders dan in die zaak, waarin daadwerkelijk hoger beroep aanhangig was tegen de toegewezen vordering, was in de onderhavige zaak van een aanhangige procedure geen sprake: de dagvaarding van HDG is immers nooit aangebracht.
- Het hof oordeelt dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van geïntimeerde en de opeisbaarheid van die vordering. Het hof overweegt daartoe dat uit de uitspraak in de kortgedingprocedure van 19 december 2025 volgt dat een arbeidsovereenkomst bestaat en dat de daaruit vloeiende vorderingen vaststaan. Van het bestaan van een vorderingsrecht kan zeer wel summierlijk blijken uit een in het kort geding gegeven beslissing (HR 19 oktober 1956, ECLI:NL:HR:1956:189, NJ 1957/68 (Faillissement Zuil). Ook het feit dat HDG geïntimeerde kort voor het faillissement heeft gedagvaard voor een bodemprocedure maakt dit niet anders.
- De eisen die aan een vordering van de aanvrager worden gesteld zijn in de regel niet bijzonder hoog. De wet eist niet dat wordt vastgesteld hoe groot het vorderingsrecht van de aanvrager is. Het is daarnaast niet nodig dat de vordering van de aanvrager opeisbaar is (HR 7 december 1990, NJ 1991, 216), als uiteindelijk maar een van de schuldeisers een opeisbare vordering heeft. Ook hoeft de eiser niet te bewijzen dat hij een vordering heeft. Summierlijk dient te blijken van het bestaan van het vorderingsrecht van de schuldeiser. Dit houdt in dat de vordering na een kort, eenvoudig onderzoek moet blijken (mr. drs. N.B. Pannevis in Insolventierecht 2026/3.5).
- Dat een voorzieningenrechter de vorderingen in een kortgedingprocedure heeft toegewezen, is volgens het hof dan ook voldoende om aan te nemen dat er summierlijk blijkt van een vordering van de aanvrager. Dat hoeft niet te bevreemden, omdat volgens vaste jurisprudentie voor de toewijzing van een voorlopige voorziening tot betaling van een geldvordering enkele aanvullende vereisten gelden. De voorzieningenrechter zal moeten onderzoeken of i) het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is, ii) of sprake is van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en iii) in de afweging van de belangen van de partijen mede moet betrekken het eventuele restitutierisico, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening (HR 28 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0263 (Hiensch/Bögels)).
- Het is wellicht ook om die reden dat het hof de motivatie kort houdt. De voorzieningenrechter toetst immers reeds of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is en het hof acht dit voldoende om het vorderingsrecht summierlijk te doen blijken. Het zou weinig efficiënt zijn als de faillissementsrechter deze toets opnieuw zou moeten uitvoeren, maar een nadere motivering was welkom geweest. Het hof merkt daarbij op dat deze vordering reeds opeisbaar is. Hoewel opeisbaarheid voor het summierlijk blijken van het bestaan van het vorderingsrecht niet vereist is, dient wel een van de schuldeisers een opeisbare vordering te hebben om tot een uitspraak van het faillissement te komen.
- Opvallend is dat HDG geïntimeerde slechts één dag vóór de faillietverklaring een dagvaarding heeft betekend. Omdat deze dagvaarding nooit is aangebracht, is nooit een procedure op tegenspraak aanhangig gemaakt waarin het vorderingsrecht van geïntimeerde daadwerkelijk ter discussie kon komen te staan. Het risico dat een bodemprocedure de grondslag aan het vorderingsrecht zou ontnemen, heeft zich dan ook niet verwezenlijkt. Meer in het algemeen illustreert deze gang van zaken hoe een kort voor de faillietverklaring betekende, maar nooit aangebrachte dagvaarding eerder als vertragingstactiek kan worden gezien dan als serieus inhoudelijk verweer.
- Vervolgens overweegt het hof dat ook aan de overige vereisten voor de uitspraak van het faillissement is voldaan. Allereerst gaat het hof in op het pluraliteitsvereiste. Uit een door de curator overgelegd crediteurenoverzicht volgt een schuldenlast van ruim EUR 4,7 miljoen, waarvan meer dan EUR 3,9 miljoen bij de fiscus en circa EUR 500.000 bij aan HDG verbonden vennootschappen. HDG voert aan dat zij met haar schuldeisers betalingsregelingen heeft getroffen, dat zij in overleg is met de Belastingdienst en dat een bodemprocedure loopt over de rekening-courantvorderingen. Daarmee betoogt zij dat het pluraliteitsvereiste niet is vervuld. Dat verweer is in beginsel begrijpelijk: als immers met alle crediteuren een (betalings)regeling is getroffen, kan dat in hoger beroep leiden tot vernietiging van het faillissement (zie bijv. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 13 juni 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1936). In de onderhavige zaak was daarvan echter geen sprake: HDG stelde weliswaar dat zij regelingen had getroffen voor de onbetwiste vorderingen, maar dit is door het hof niet vastgesteld. Het hof laat die vraag in het midden, omdat de pluraliteit van schuldeisers hoe dan ook al vaststond op grond van de betwiste belastingschuld en de rekening-courantschulden.
- Daar komt bij dat gesprekken met de Belastingdienst niet afdoen aan het bestaan van de belastingschuld. Dat over de rekening-courantvorderingen een bodemprocedure aanhangig is, sluit evenmin uit dat zij als steunvordering kunnen dienen. Ook betwisting van een vordering hoeft niet in de weg te staan aan het feit dat zij als steunvordering in aanmerking kan worden genomen (HR 30 augustus 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0326, NJ 1991/781 (Van Loenen/LAMB)).
- Ten slotte beantwoordt het hof de vraag of sprake is van een toestand van te hebben opgehouden te betalen bevestigend. Op de zitting heeft HDG aangegeven beperkte inkomsten te hebben en over onvoldoende eigen middelen te beschikken. Zowel de curator als het hof zijn van oordeel dat het onduidelijk is hoe HDG haar financiële verplichtingen gaat nakomen. Dat HDG enkele schulden wel heeft voldaan, dan wel overgedragen, doet niet af aan het feit dat de grootste schulden, bestaande uit de belastingschuld, de rekening-courant-vorderingen en de schuld aan geïntimeerde, onbetaald zijn gebleven.
- HDG stelt zich ten slotte nog op het standpunt dat de gelieerde vennootschap Moor Beheer B.V. nog bereid is om een financiering te verstrekken onder de voorwaarde dat het faillissement wordt vernietigd, maar dit wordt niet nader onderbouwd. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat sprake is van een toestand van te hebben opgehouden te betalen. Daarbij weegt mee dat de informatieverstrekking door HDG aan de curator pas op een laat moment op gang is gekomen en de curator op het moment van het hoger beroep niet kan verklaren dat hij alle inmiddels relevante stukken van HDG heeft ontvangen.
- Het hof oordeelt daarom dat aan alle vereisten voor het faillissement is voldaan. Het hoger beroep slaagt niet en het bestreden vonnis wordt door het hof bekrachtigd. De uitspraak bevestigt de bestaande jurisprudentie inzake het summierlijkheidsvereiste en voegt daar een praktisch relevante concretisering aan toe: een door de schuldenaar kort vóór de faillietverklaring betekende dagvaarding staat niet in de weg aan het summierlijk blijken van het vorderingsrecht van de aanvrager.
Deze tekst verscheen eerder als blog op Herstructurering & Recovery Online (HERO), HERO, Ashley Hubers-Snel en Giel Sengers, HERO 2026 / N-027, Marc/MADlex, https://www.online-hero.nl/art/5726/kortgedingvonnis-als-bewijs-vorderingsrecht-bij-faillissementsaanvraag-voldoende-ondanks-betwisting-bij-niet-aangebrachte-dagvaarding-in-hoofdzaak