Linda van de Reep
Partner | Advocaat
Stuur mij een e-mail
+31 (0)70 318 4200
De Wet op het financieel toezicht (Wft) verbiedt het aanbieden van krediet aan consumenten zonder vergunning van de AFM. In de praktijk kan er nog wel eens onduidelijkheid bestaan over wanneer krediet wordt aangeboden aan een consument. Het is voor de praktijk belangrijk om hier aandacht aan te besteden, omdat verkeerde kwalificatie kan leiden tot handhaving door de AFM en problemen bij de kredietovereenkomst zelf. Dit artikel geeft een praktisch overzicht van de voornaamste aandachtspunten.
Door mr. L. van de Reep, partner, advocaat en belastingadviseur en mr. R. de Neeling, advocaat, gespecialiseerd in bank- en financieel recht, bij BUREN N.V.
Het kredietverbod in wet- en regelgeving
Artikel 2:60 Wft verbiedt het in Nederland aanbieden van krediet aan een consument zonder een door de AFM verleende vergunning. De definitie van consument is “een niet in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep handelende natuurlijke persoon aan wie een financiële onderneming een financiële dienst verleent.” Indien een rechtspersoon een lening verstrekt aan een rechtspersoon of aan een ondernemer die wel een bedrijf uitoefent, dan valt deze kredietverlening buiten de vergunningplicht.
Voor de vergunningplicht is daarnaast vereist dat de kredietverstrekker handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Bepalend zijn de presentatie naar buiten, de frequentie en de ontvangst van een beloning. Zuiver incidentele kredietverstrekking kan buiten de Wft vallen, maar alleen als deze noodzakelijk rechtstreeks voortvloeit uit een andere beroepswerkzaamheid.
Hoewel deze hoofdregels een duidelijk kader scheppen, en veel financieringen dus toch toegestaan zijn, zijn er in de praktijk de nodig varianten die wel onder het kredietverbod vallen. Het is belangrijk om deze scherp op het netvlies te hebben.
Overigens bevat artikel 1:20 Wft nog een aantal uitzonderingen. Als één van deze uitzonderingen van toepassing is, wordt niet toegekomen aan de vergunningplicht van artikel 2:60 Wft. Deze uitzonderingen zijn specifiek omschreven en zullen in de praktijk niet snel van toepassing zijn.
Drie situaties die in de praktijk het vaakst terugkomen
Recente jurisprudentie
Naast het kredietverbod in de Wft is ook de implementatie van de Consumentenkredietrichtlijn in de Nederlandse wetgeving van belang, onder andere art. 7:57 BW. Deze regelgeving stond centraal in een recente procedure bij het Gerechtshof Den Haag (23 juni 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1974). In deze zaak had een werkgever een geldlening van € 50.000 met een rentepercentage van 7% verstrekt aan een werknemer. De werkgever vorderde na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, terugbetaling van de lening. Het hof bevestigde dat de geldlening kwalificeert als consumentenkrediet. Het feit dat de kredietverstrekker ook de werkgever was, maakte dat niet anders. Dit betekende dat de werkgever-geldverstrekker een bijzondere zorgvuldigheidsplicht had ten aanzien van informatieverstrekking vooraf en het uitvoeren van een kredietwaardigheidstoets. Nu de werkgever zich niet aan de voorwaarden voor consumentenkredietverstrekking had gehouden, werd de vordering van de werkgever afgewezen.
Wat betekent dit in de praktijk?
Conclusie
Voor de meeste financieringen geldt: zolang de leningnemer een rechtspersoon is, raakt de Wft-vergunningplicht de praktijk niet, omdat het niet gaat om geldverstrekking aan consumenten. Alertheid is geboden bij leningen aan natuurlijke personen die niet handelen in een beroep of bedrijf en bij structureel lenen aan derden buiten een concern.
Praktische vuistregel. Toets de hoedanigheid van de leningnemer vóór de kredietverstrekking, zorg voor schriftelijke vastlegging van de kwalificatie en raadpleeg bij twijfel tijdig een specialist. Zo voorkomt u dat een gebruikelijke financieringsstructuur onverwacht onder het kredietverbod valt.
Tevens verschenen in Belastingzaken Magazine 2026 nr 4 | Rubriek Financiering
Volg ons!
Aanmelden nieuwsbrief LinkedIn