28-08-2026

Werknemersparticipaties en box 2: oppassen voor bad leavers!

Op 9 april 2026 publiceerde de Kennisgroep Aanmerkelijk Belang van de Belastingdienst het kennisgroepstandpunt ‘Negatief loon en aanmerkelijk belang’ (KG:003:2026:4) over de fiscale gevolgen van het terugleveren van aandelen bij kwalificatie als zogenoemde bad leaver. De Kennisgroep concludeert dat bij een verplichte teruglevering van aandelen die kwalificeren als een aanmerkelijk belang, voor de box 2-heffing moet worden uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer als overdrachtsprijs. In een bad leaver-situatie kan het zo zijn dat de marktwaarde (aanzienlijk) hoger is dan de contractueel overeengekomen terugleveringsprijs. Hoewel deze wetstoepassing past binnen het systeem van de wet, kan dit voor de betrokken werknemer zeer nadelig uitpakken.

Door mr. L. van de Reep, partner, advocaat en belastingadviseur bij BUREN en mr. J. de Beer, belastingadviseur bij BUREN.

Kennisgroepstandpunt
Ter introductie: de Belastingdienst publiceert sinds maart 2023 kennisgroepstandpunten om rechtszekerheid te bevorderen en een gelijk speelveld te waarborgen. In deze publicaties geven expertgroepen uitleg over de toepassing van wet- en regelgeving in specifieke situaties.

Kennisgroepstandpunten ontstaan wanneer de uitvoeringspraktijk complexe interpretatievragen aan de kennisgroepen voorlegt. Door deze standpunten openbaar te maken, schept de Belastingdienst duidelijkheid en bevordert zij een consistente wetstoepassing. De standpunten zijn intern bindend waardoor belastinginspecteurs zich eraan moeten houden. Tegelijkertijd is een kennisgroepstandpunt geen wettelijk recht en kan een rechter anders oordelen.

Een kennisgroepstandpunt heeft doorgaans de vorm van een concrete casus met een vraag, een antwoord en een beschouwing.

Good leaver en bad leaver
Een werknemer kan in het kader van zijn dienstbetrekking een aandelenbelang verwerven van zijn werkgever. Dit kan tegen een vaste koopprijs, met of zonder korting, of ‘om niet’. Bij de verkrijging van deze aandelen zijn tussen werkgever en werknemer afspraken gemaakt, onder andere over de afwikkeling van het aandelenpakket bij het einde van de dienstbetrekking. Dit worden good leaver- en bad leaver-afspraken genoemd. 

Een werknemer wordt doorgaans als good leaver aangemerkt indien hij zijn werkzaamheden naar behoren heeft uitgevoerd, of vertrekt als gevolg van omstandigheden buiten zijn invloedssfeer, zoals pensionering, overlijden, arbeidsongeschiktheid of ontslag zonder verwijtbaar handelen. In dat geval mag hij zijn aandelen vaak behouden of worden deze tegen marktwaarde overgenomen.

Van een bad leaver is veelal sprake bij ontslag wegens ernstig verwijtbaar handelen, fraude of overtreding van contractuele verplichtingen. In dat geval kan het zo zijn dat de werknemer de aandelen verplicht moeten aanbieden tegen een prijs die lager ligt dan de marktwaarde. In de voorliggende casus is sprake van een dergelijke bad leaver-situatie.

Casus
In de onderhavige casus besproken in het kennisgroepstandpunt heeft de werknemer (in het kennisgroepstandpunt aangeduid als ‘X’) als onderdeel van een aandelenparticipatieplan om niet een aandelenpakket verkregen. De aandelen hebben op het moment van verkrijging een marktwaarde van € 1 miljoen. Dit is op dat moment dus als loon in box 1 belast bij de werknemer.

De werknemer heeft vanaf dat moment een belang van 5%, en valt dus binnen het aanmerkelijkbelang-regime in box 2. Na enkele jaren eindigt de arbeidsovereenkomst en is er sprake van een bad leaver-situatie. De werknemer is op grond van de contractuele afspraken verplicht de aandelen om niet terug te leveren aan de werkgever. Op dat moment bedraagt de marktwaarde van de aandelen € 5 miljoen.

De vraag die aan de Kennisgroep wordt voorgelegd, is of deze teruglevering kwalificeert als een vervreemding. De Kennisgroep beantwoordt deze vraag bevestigend. Daarbij merkt de Kennisgroep op dat de overdrachtsprijs op grond van artikel 4.20 Wet IB 2001 moet worden gesteld op € 5 miljoen, te weten de waarde in het economisch verkeer. Dat de werknemer geen ‘tegenprestatie/vergoeding’ ontvangt, is niet relevant. 

Dit betekent voor de werknemer het volgende. De oorspronkelijke verkrijgingsprijs was € 1 miljoen. Het vervreemdingsvoordeel is aldus € 4 miljoen. Hierover is € 1.235.525 aan box 2-heffing verschuldigd, uitgaande van het box 2-tarief in 2026 van 24,5% tot € 68.843 en 31% over het meerdere. Hoewel de wettelijke systematiek begrijpelijk is, is er toch de nodige verontwaardiging binnen de fiscale praktijk. Er is immers geen betaling ontvangen door de werknemer, terwijl er wel een aanzienlijke belastingschuld ontstaat.

De kern van de discussie betreft de uitleg van het begrip tegenprestatie in de zin van artikel 4.20 Wet IB 2001. In dit artikel is de overdrachtsprijs als volgt gedefinieerd:

"Onder overdrachtsprijs wordt verstaan de tegenprestatie bij de vervreemding, verminderd met de ten laste van de vervreemder komende kosten."

In de toelichting bij het standpunt stelt de Kennisgroep dat de marktwaarde (ook wel waarde economisch verkeer) als overdrachtsprijs moet worden aangemerkt. De Belastingdienst motiveert niet waarom zij niet aansluit bij de daadwerkelijk overeengekomen koopprijs of terugleveringsprijs.

Het is belangrijk te realiseren dat een werknemersparticipatieplan altijd maatwerk is. Hierdoor kunnen er verschillende bepalingen zijn bij het uittreden van een werknemer. In de praktijk zien wij verschillende vergoedingsregelingen of uitkoopregelingen bij good leavers, neutral leavers en bad leavers. De fiscale gevolgen van deze bepalingen zullen steeds goed moeten worden doorgrond. 

Verrekeningsmogelijkheid?
Heeft de werknemer dan nog verrekeningsmogelijkheid ten aanzien van zijn verlies? In principe wel, tegenover het vervreemdingsresultaat in box 2 staat een negatief loon in box 1. Het verlies/negatieve resultaat uit hoofde van het overdragen van het aandeel is voor de werknemer een negatief resultaat uit hoofde van zijn dienstbetrekking. Dit negatieve resultaat bedraagt in dit voorbeeld € 5 miljoen. Ook in het kennisgroepstandpunt is aangegeven dat de werknemer dit bedrag als negatief loon aanmerkt.

Als gevolg van het boxen-stelsel in de inkomstenbelasting is dit negatieve resultaat (in box 1) niet direct te verrekenen met het positieve box 2 resultaat. Daar komt bij dat negatief loon uitsluitend kan worden verrekend met box 1-inkomen uit de drie voorafgaande en de negen volgende jaren. Het is zeer de vraag of de werknemer voldoende box 1-inkomen heeft om de verrekening daadwerkelijk te kunnen effectueren. Zelfs indien dat het geval is, kan de werknemer worden geconfronteerd met aanzienlijke liquiditeitsproblemen, omdat de box 2-heffing direct verschuldigd is, terwijl de compensatie via de verrekening van negatief loon zich mogelijk pas in latere jaren voordoet.

Uiteraard zal de impact in de praktijk bij lagere bedragen aan negatief loon minder groot kunnen zijn, omdat verrekening met inkomen uit eerdere jaren mogelijk al voldoende is om de box 2-heffing in hetzelfde jaar (gedeeltelijk) te compenseren. Dat neemt echter niet weg dat dit kennisgroepstandpunt op gespannen voet lijkt te staan met het recente internetconsultatievoorstel voor de Wet fiscale stimulering startups en scale-ups, dat juist beoogt werknemersparticipaties aantrekkelijker te maken en daarmee de concurrentiepositie van Nederland te versterken.

Speelt deze problematiek ook bij een andere vormgeving?
Hoewel het kennisgroepstandpunt is uitgewerkt voor een bad leaver-situatie met een belang in box 2, komt de vraag op of de problematiek niet ook in andere situaties zou kunnen opkomen. We hebben eerder al aangegeven dat het niet uitsluitend om situaties hoeft te gaan waarbij de werknemer een bad leaver is, zoals omschreven in het participatieplan. Immers, ook andere scenario’s waarbij de werknemer een lagere opbrengst dan de waarde in het economisch verkeer geniet, kan deze problematiek opkomen.

Verder geldt dat de problematiek met name wordt opgeroepen door het boxensysteem, waarbij in box 2 een voordeel wordt geconstateerd en in box 1 een verlies. Deze zijn niet (eenvoudig) te verrekenen. De vraag rijst of deze problematiek ook opkomt als een managementparticipatie is ondergebracht in een personal holding of management-BV, omdat de afwikkeling dan in de winst- en deelnemingssfeer plaatsvindt. Het antwoord op deze vraag zal afhangen van de feitelijke situatie. Als het aandelenbelang in de loonsfeer is verkregen, zal voorshands ook de teruglevering fiscaal vanuit privé plaatsvinden. Door een onttrekking uit de personal holding naar privé en dus een regulier voordeel in box 2.

Het is op dit moment nog lastig te voorspellen of een werknemer met een belang in box 3 (een aandeel van < 5% (van een soort)) onder het werkelijk rendement, ook door deze regeling wordt geraakt. Dit hangt enerzijds af van de toekomstige bepaling van het werkelijk rendement in box 3. Dat is op dit moment nog niet volledig uitgekristalliseerd. Daarnaast is er nog veel discussie over het al of niet invoeren van een mogelijkheid tot verliesverrekening in box 3. 

Tot slot
De huidige situatie betekent voor de praktijk dat het zeer belangrijk is om bij het toekennen van een werknemersparticipatie ook te kijken naar de gevolgen van een exit. Duidelijkheid hierover is voor zowel werknemer als werkgever belangrijk.

Het is interessant om de (wets)ontwikkelingen op dit gebied te volgen. Wij zijn dan ook benieuwd of het Ministerie van Financiën naar aanleiding van dit kennisgroepstandpunt met een nadere reactie of verduidelijking zal komen. 

Tevens verschenen in: Belastingzaken Magazine - juli 2026

Key contacts

Linda van de Reep

Partner | Advocaat
Stuur mij een e-mail
+31 (0)70 318 4200

Jitze de Beer

Associate | Belastingadviseur
Stuur mij een e-mail
+31 (0)20 333 8390

Volg ons!
Aanmelden nieuwsbrief  LinkedIn

Gerelateerd nieuws