10-02-2017

Hoge Raad laat zich uit over voorwaardelijke ontbinding onder de WWZ

In een uitspraak van 23 december 2016 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ook onder de Wet Werk en Zekerheid een voorwaardelijke ontbinding nog steeds mogelijk is.

Inleiding

Onder het oude recht vorderde een werkgever dikwijls na een gegeven ontslag op staande voet voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dit werd gedaan om de loonvordering van de werknemer te beperken voor het geval later in rechte zou komen vast te staan dat het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was. De arbeidsovereenkomst eindigde dan in ieder geval, bij toewijzing van de voorwaardelijke ontbinding, op de datum van ontbinding.

Met de invoering van de WWZ bleek onduidelijk of de vordering tot voorwaardelijke ontbinding nog mogelijk was, vanwege de invoering van de mogelijkheid tot hoger beroep en cassatie. De wet en wetsgeschiedenis geven hierover geen uitsluitsel. De kantonrechter Enschede had daarom hierover prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad en inmiddels heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan.

Beslissing Hoge Raad

Zoals gezegd is volgens de Hoge Raad een vordering tot voorwaardelijke ontbinding nog steeds mogelijk. De Hoge Raad oordeelt echter dat toewijzing ervan uitsluitend mogelijk is in een procedure in eerste aanleg waarbij het ontslag op staande voet naar het oordeel van de kantonrechter geen stand houdt. Indien naar het oordeel van de kantonrechter het ontslag op staande voet wel rechtsgeldig is gegeven, kan hij niet vooruitlopend op een mogelijk hoger beroep het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding toewijzen. Het Hof heeft namelijk bij zijn beslissing in hoger beroep de bevoegdheden om de arbeidsovereenkomst te herstellen of een billijke vergoeding toe te kennen indien hij het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig acht. Indien vooruitlopend op deze beslissing van het Hof de kantonrechter ‘voorwaardelijk’ de ontbinding heeft uitgesproken zou het Hof zijn bevoegdheden niet volledig kunnen uitoefenen. Naar het oordeel van de Hoge Raad is die uitkomst onwenselijk.

Conclusie

Een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding heeft dus onder de WWZ een beperktere reikwijdte en zal dus niet dezelfde zekerheid kunnen bieden over het uiteindelijke einde van de arbeidsovereenkomst. Het is echter nog steeds zinvol om een voorwaardelijk ontbindingsverzoek in te dienen. Hiermee kunnen de gevolgen van een negatief oordeel over het ontslag op staande voet worden beperkt. Werkgevers zullen echter rekening moeten houden met mogelijk langere procedures aangezien hoger beroep en cassatie mogelijk is ten aanzien van én een beslissing over het ontslag op staande voet én ten aanzien van een beslissing over een (voorwaardelijke) ontbinding.

Key contacts

Suzan van de Kam

Partner | Advocaat I Mediator
Stuur mij een e-mail
+31 (0)70 318 4200

Key contacts

Suzan van de Kam

Partner | Advocaat I Mediator
Stuur mij een e-mail
+31 (0)70 318 4200

Gerelateerd nieuws